27 juli 2026

Iets over half acht worden we wakker. Een rustige plek maar vooral ook rustige achterburen want achter ons ligt er namelijk een kerkhof. Ik laat Timber even uit in de omgeving en in het bosje achter het kerkhof. Hier vind je verschillende houten speeltuigen. Aangenaam wandelen. Na het ontbijt zetten we koers richting Skien. Daar begint het Telemarkkanaal. Dit kanaal werd voornamelijk aangelegd om goederen en passagiers te vervoeren, boomstammen te verplaatsen en overstromingen te voorkomen. De wegen in Telemark waren bijna onbegaanbaar en op sommige plaatsen was het onmogelijk om met een koets te komen. Het 105 meter lange kanaal verbindt de Skien met Dalen en bestaat uit 18 sluizen. De belangrijkste sluizen zijn Skien, Ulefoss, Vrangfors en Lunde. Waar de sluis van Vrangfors met zijn 23 meter totale schuthoogte, de grootste maar tevens ook de mooiste is. Wij zullen ons vandaag dan ook beperken tot het bezoeken van deze 4 sluizen. Van zou gauw we beginnen te rijden weten we weer dat we in Noorwegen zijn: bergen, rotsen maar vooral bruggen en tunnels. De eerste 5 kilometer hebben we al evenveel tunnels gehad.

Bij aankomst in Skien is het even zoeken naar een parkeerplaats. We vinden er 1 maar omdat onze nummerplaat bovenaan de auto staat en niet onderaan, herkent de camera de auto niet en werkt ook de EasyPark-app niet. Dan maar op pad en de betaalautomaat gebruiken bij vertrek. We wandelen richting de sluis. We zien enkele bijzondere gebouwen, waarbij stenen figuren aan de buitenzijde van de gevel hangen en een knalgele voetgangersbrug. In de omgeving van de sluis staat nog een standbeeld dat ons er doet aan herinneren hoe de boomstammen werden vervoerd. Bij de sluis zien we een vrolijke otter over en weer trippelen, wat is ie snel. We wandelen langs het kanaal terug richting auto en proberen daar te betalen. Ook dat mislukt. We zien het wel wat het wordt.

Bij het uitrijden van de stad komen we het kenmerkende bordje van de Telemarkroute tegen namelijk een wit bordje met een bruine boot in een sluis (of omgekeerd zoals blijkt tijdens de rit). We vervolgen de route naar Ulefoss. Dit is de oudste industriestad van Noorwegen. We parkeren onze auto aan Ulefoss JernvƦrk (= ijzer/metaalfabriek) en wandelen naar de sluis. We nemen eerst wat foto’s vanaf de brug. Eens bij de sluis hebben we het geluk dat er enkele bootjes aankomen en zo zien we hoe deze worden versluisd. Eerst worden ze alle 4 vastgelegd, dat wordt de ene sluisdeur manueel gesloten, daarna de delen van de andere geopend zodat het water kan zakken. Eens de niveau’s gelijk zijn wordt die deur geopend en kunnen de boten naar het volgende stuk waar de handelingen worden herhaald. Intensief maar toch gaat het snel want op nog geen 10 minuten zijn ze een trap gezakt. Eens terug aan de auto is het lunchtijd.

Van hieraf gaat het richting Vrangfors. Het is druk op de parkeerplaats maar we vinden toch net nog een plekje. Ook hier wandelen we naar de brug en kijken weg van de sluis: whow. Dit is het beeld van Noorwegen: helder water met groen, stromend tussen rotsen. Aan de sluis klinkt er best wat Nederlands, ook Belgen zijn aanwezig en ik herken 1 van de heren. Ook hier is de sluis in werking maar hier gaan de bootjes naar boven. De jonge gasten werken als een geoliede machine. Net als bij de andere 2 sluizen ligt er ook hier een krachtcentrale, zelfs enkele kleine watervalletjes.

Op naar de voor ons laatste sluis: Lunde. Bij aankomst is er voor onze camper geen plek om goed te parkeren. Naast de parking ligt nog een busparking. We parkeren in de schaduw aan de rand van de parking. Achter de eerste parking ligt een plek voor mobilhomes om te overnachten. Ik vermoed dat er een 100-tal staan en terwijl parkeren komen er nog zeker 7 aan. Pff, niet voor ons. We wandelen naar de sluis. Het is er erg druk op de terrassen naast de sluis. Vanaf de waterkant is de sluis niet zo goed zichtbaar. Net als in Skien bestaat deze sluis maar uit 1 niveau. Zelf vinden we ze niet zo spectaculair, het beeld van het kanaal erachter is echter wel de moeite. We wandelen terug naar de auto en vertrekken weer in wat noordelijkere richting.

Dan is het tijd voor Heddal Stavkirke. Met zijn afmetingen van 24 meter lang, 17 meter breed en het hoogste punt op 29 meter is het de grootste staafkerk van Noorwegen. Deze volledig houten kerk werd gebouwd in het begin van de 13e eeuw. De kerk heeft al verschillende renovaties en restauraties ondergaan om in de oude staat te worden hersteld, veel authentieke details zijn hierdoor bewaard gebleven. Het dak wordt elk jaar met teer ingesmeerd, zodat het waterdicht blijft. Die typische, sterke teergeur prikkelt in je neus. Doordat de kerk zo hoog is, is het er, in vergelijking met de andere staafkerken, best licht. De kerk wordt nog steeds gebruikt voor kerkdiensten. We zagen bij eerdere bezoeken aan Noorwegen al wat stavkirka. Deze van RĆøldal werd toen als erg klein en schattig ervaren. Anderen zoals Lom en Ringebu als mooi onderhouden. Het blijft toch steeds iets speciaals, de moeite om te zien (en iets minder om te ruiken) en hoort zeker bij een bezoek aan Noorwegen. Bij het parkeren staan we naast een andere Defender 130. Deze is volledig anders ingericht. We wandelen naar de kerk en bekijken eerst de buitenzijde. Daarna kopen we ons een inkomticket voor de binnenkant. Deze is best de moeite. Alles in hout, hoge plafonds. Het lijkt erop dat de versiering overal hetzelfde is maar in het houtsnijwerk zien we toch verschillen. Zo zijn er aan wat de manneningang is, drakenkoppen uitgehouwen en aan de vrouweningang niet.

Van hieruit rijden we naar Notodden. Samen met Rjukan (waar we naar op weg zijn) behoort deze stad tot UNESCO werelderfgoed. Hier in deze 2 plaatsen ligt de industriƫle erfgoedsite. Een heel complex dat werd gesticht door de onderneming Norsk-Hydro om kunstmest (calciumnitraat) te maken uit stikstof in de lucht. In het landschap van bergen, watervallen en rivierdalen ligt dit, bestaande uit waterkrachtcentrales, transmissielijnen, fabrieken en transportsystemen. Het werd in het begin van de 20ste eeuw gebouwd om te voldoen aan de stijgende nood aan landbouwproducten. In deze beide steden zijn de werkmanshuizen en de sociale instituten nog te zien en zijn ze onderling verbonden door rails (de Rjukanlijn en de Tinnosetlijn) en veerboten. Het is een bijzondere combinatie van industrie en het natuurlijke landschap. We lopen wat rond tussen de gebouwen en aan de waterkant. Op de grote parkeerplaats staat het vol elektriciteitskasten. Er is vast de komende tijd is te doen op gebied van muziek want Notodden is dan ook nog gekend als centrum voor bluesmuziek.

En dan gaat het richting ons eigenlijke doel: richting Rjukan waar we Martin en Susanne dag gaan zeggen. Ze baten er tot eind december een hotel uit. Onderweg houden we nog halt om te koken en onze thuisgemaakte spaghettisaus eindelijk op te eten. Dicht bij Rjukan passeren we nog de Rjukanlijn met oude treinstellen. En dan start de klim naar de Gaustatoppen, met zijn hoogte van bijna 1900 meter, de hoogste top van Telemark. Via de nodige haarspeldbochten gaat het fors berg op. Eens ter hoogte van Gausta zijn we in shock. Alles is volgebouwd met bruine huisjes, te huren onderdelen van het ene hotel na het andere. Het is een beetje zoals in Andorra waar ook de hellingen waren volgebouwd. Gelukkig is alles in een donkerbruine kleur en hebben velen een groendak, zo is het allemaal toch een beetje omgevingsvriendelijk. Uiteindelijk komen we aan bij het hotel waar we moeten zijn. Aan de receptie blijkt, als we naar hen vragen, dat ze op weekend zijn aan de westkust. Ze waren vergeten dat we kwamen. Buiten waait de wind stevig en de temperatuur is flink gedaald. Het is er nog amper 13 graden. We vinden een slaapplekje in een kom van rotsen en staan windvrij. Dus vannacht geen flapflapflap van het dak. Dat scheelt. Na Timber uit te laten en wat foto’s te nemen gaan we naar bed, we hebben nog wat slaap in te halen.